Productiesector begint 2026 grotendeels stabiel
De bedrijfsomstandigheden in de Nederlandse industrie waren aan het begin van het jaar overwegend stabiel. De Nevi PMI daalde van 51.1 in december naar 50.1 in januari. Dit laatste cijfer wees op een lichte verbetering van de bedrijfsomstandigheden, de kleinste in de huidige periode van groei van acht maanden.
De Nevi PMI is een samengestelde indicator die met één cijfer de stand van zaken in de productiesector weergeeft en wordt samengesteld op basis van indicatoren voor nieuwe orders, productieomvang, werkgelegenheid, levertijden en voorraad ingekochte materialen.
Minder orders
De Nevi PMI is een samengestelde indicator die met één cijfer de stand van zaken in de productiesector weergeeft en wordt samengesteld op basis van indicatoren voor nieuwe orders, productieomvang, werkgelegenheid, levertijden en voorraad ingekochte materialen. De daling van de hoofdindex was met name het gevolg van het kleinere aantal ontvangen nieuwe orders. Dit was de eerste daling hiervan in acht maanden. De daling was beperkt, maar ging in tegen de historische tendens van groei. De ondervraagde bedrijven schreven de terugval vooral toe aan de zwakke binnenlandse vraag, aangezien het aantal nieuwe buitenlandse orders in januari licht steeg.
Groei werkgelegenheid
Ondanks de lagere instroom van orders, steeg de werkgelegenheid in januari voor de tweede maand op rij. De panelleden gaven vaak aan dat zij nieuw personeel hadden aangenomen ter ondersteuning van hun groeiplannen. De groei van de personeelsbestanden bleef echter beperkt.
Geringe stijging productievolume
De grotere productiecapaciteit en het werken aan eerder ontvangen orders zorgden in januari voor een stijging van het productievolume in de Nederlandse productiesector. Deze stijging was echter gering en lag onder het onderzoek gemiddelde.
Lagere achterstanden
De combinatie van dalende verkoop en hogere productie leidde tot een verdere daling van het aantal onvoltooide of nog niet uitgevoerde orders. Hiermee komt de periode van lagere achterstanden op precies drie jaar. De daling was aanzienlijk en de grootste sinds februari vorig jaar. Het beperkte aantal nieuwe orders zorgde ervoor dat de producenten minder materiaal inkochten. De daling van inkoopactiviteiten was bescheiden, maar wel de grootste in zeven maanden. De grotere productieomvang en lagere inkoop leidden tot een sterkere daling van de materiaalvoorraad, waarbij een aantal bedrijven opmerkte de voorkeur te geven aan een lager voorraadniveau. Dit was de grootste daling in iets meer dan een jaar.
Afname voorraad gereed product
De inspanningen van de bedrijven om hun voorraden te optimaliseren leidden tot een verdere afname van de voorraad gereed product. Deze daling was de grootste in vierenhalf jaar. Toch waren de leveranciers in januari opnieuw vaak niet in staat om bestellingen op tijd te leveren en zorgden voorraadtekorten, weersomstandigheden en transportproblemen voor langere levertijden. De verslechtering van de prestatie van leveranciers was wel kleiner dan in december.
De producenten maakten in januari opnieuw melding van een stijging van de gemiddelde inkoopkosten. Naar verluidt stegen de prijzen voor metalen en kunststoffen, evenals de personeels- en transportkosten. De bedrijven berekenden minstens een deel van deze hogere kostendruk door aan hun klanten via verhogingen van de verkoopprijzen. De inkopen verkoopprijsinflatie stegen naar het hoogste niveau in respectievelijk tien en negen maanden.
Ondernemers minder optimistisch
Wat betreft de komende twaalf maanden, waren de Nederlandse producenten minder optimistisch dan in december over een toename van de productieomvang het komende jaar. Het ondernemersvertrouwen daalde naar een niveau onder het langetermijngemiddelde, het laagste sinds november 2024, wat werd toegeschreven aan bezorgdheid over de aanhoudend zwakke vraag.
Coalitieakkoord
In zijn maandelijkse commentaar op de cijfers memoreert Albert Jan Swart, sectoreconoom Industrie bij ABN Amro, het coalitieakkoord dat D66, VVD en CDA afgelopen vrijdag presenteerden. Dit bevat volgens hem een aantal verbeteringen voor de industrie: “Naast de extra miljarden voor defensie, waar sommige industriële ondernemingen van kunnen profiteren, wil de coalitie ook de energie-intensieve industrie te hulp schieten. De nationale CO2-heffing wordt als het aan de coalitie ligt afgeschaft, en de subsidieregeling SDE++ wordt tot en met 2032 verlengd met een budget van 8 miljard euro per jaar. Ook wil de coalitie geld uittrekken voor de Indirecte Kostencompensatie (IKC), waar vooral de energie-intensieve industrie van kan profiteren. In de plannen is ook budget om de elektriciteitsprijs voor bedrijven te verlagen, maar pas vanaf 2028. De nieuwe coalitie wil verder de bezuinigingen op het onderwijs van het kabinet Schoof grotendeels terugdraaien. Doordat de coalitie geen meerderheid in zowel de Tweede als in de Eerste Kamer heeft, zal deze steun moeten verwerven bij andere partijen.”