Technische sectoren pleiten voor meer investeringen in praktijkgerichte opleidingen
Zes brancheorganisaties uit de technische sectoren roepen de politiek op om meer te investeren in praktijkgerichte opleidingen en het opleiden van vakmensen. In aanloop naar de begrotingsbehandeling Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) 2027 vragen zij aandacht voor een betere aansluiting tussen het beroepsonderwijs en de arbeidsmarkt. Vooral het behoud van technisch onderwijs, voldoende leerwerkplekken en meer mogelijkheden voor bij- en omscholing staan centraal.
Studenten volgen een praktijkgerichte opleiding metaaltechniek en leren technische vaardigheden in een werkplaats.
Koninklijke Metaalunie, FME, Bouwend Nederland, Techniek Nederland, WENB en BOVAG hebben gezamenlijk vier aandachtspunten naar voren gebracht. Volgens de organisaties zijn gerichte investeringen noodzakelijk om ook in de toekomst voldoende technisch geschoolde medewerkers beschikbaar te hebben.
Meer zekerheid voor praktijkgerichte opleidingen
De brancheorganisaties zijn positief over de verhoging van de maximale Subsidie Praktijkleren naar 2.800 euro per leerwerkplek. Deze subsidie ondersteunt werkgevers die studenten en leerlingen binnen hun bedrijf praktijkervaring laten opdoen. Tegelijkertijd maken de sectoren zich zorgen over het beschikbare budget. Dat daalt van 265,3 miljoen euro in 2027 naar 220,6 miljoen euro vanaf 2030. De organisaties pleiten daarom voor een subsidieregeling die meegroeit met het aantal leerwerkplekken. Ook willen zij dat bedrijven meerjarige zekerheid krijgen, zodat zij kunnen blijven investeren in de begeleiding en opleiding van nieuwe vakmensen.
Technisch vmbo-onderwijs onder druk
Een ander belangrijk aandachtspunt is het behoud van kwalitatief goed techniekonderwijs. Door dalende leerlingenaantallen staan verschillende technische vmbo-profielen onder druk. Volgens de brancheorganisaties is het belangrijk dat jongeren in alle regio’s toegang houden tot herkenbare technische vakrichtingen. Een landelijk dekkend aanbod van techniekonderwijs moet voorkomen dat opleidingen verdwijnen en de instroom van technisch personeel verder onder druk komt te staan. Daarom vragen de sectoren om structurele ondersteuning van regionale technieknetwerken. Bestaande programma’s, zoals Sterk Techniekonderwijs, kunnen daarbij een belangrijke rol spelen.
Bedrijfsleven moet gelijkwaardig kunnen meebeslissen
Ook de samenwerking tussen onderwijsinstellingen en technische bedrijven moet verder worden versterkt. Bedrijfsvakscholen, opleidingsbedrijven en hybride techniekcentra leveren volgens de organisaties een belangrijke bijdrage aan praktijkgerichte opleidingen. Studenten en werknemers kunnen hier technische kennis direct combineren met vaardigheden die op de werkvloer nodig zijn. De sectoren willen dat deze opleidingsvoorzieningen een structurele plaats krijgen binnen de regionale onderwijsinfrastructuur. Daarbij moet het bedrijfsleven gelijkwaardig kunnen meebeslissen over de inhoud, uitvoering en financiering van opleidingen. Dat geldt ook voor de verdeling van middelen uit het Regionaal Investeringsfonds.
Meer mogelijkheden voor bijscholing en omscholing
Naast het opleiden van jongeren vragen de brancheorganisaties aandacht voor werknemers die zich verder willen ontwikkelen of willen overstappen naar een technisch beroep. Korte, flexibele en praktijkgerichte opleidingen moeten het voor werkenden en zij-instromers gemakkelijker maken om nieuwe technische vaardigheden te leren. Volgens de organisaties moet Leven Lang Ontwikkelen daarom een volwaardige plaats krijgen binnen het beroepsonderwijs. Extra aandacht is nodig voor sectoren waar personeelstekorten bestaan, zoals de metaalindustrie, bouw, energie en installatietechniek.
Praktijkgerichte opleidingen essentieel voor technische arbeidsmarkt
Met hun gezamenlijke oproep willen de zes brancheorganisaties bereiken dat de politiek structureel investeert in technisch vakmanschap. Voor metaalbedrijven zijn voldoende goed opgeleide medewerkers van groot belang om de productiecapaciteit, innovatie en concurrentiepositie op peil te houden. Een betere aansluiting tussen onderwijs en bedrijfsleven, voldoende praktijkleerplaatsen en toegankelijke mogelijkheden voor bij- en omscholing moeten bijdragen aan een toekomstbestendige technische arbeidsmarkt.