‘Laten we ons oprollen of komen we met een antwoord?’

1554

Het voelt vaak als ploegen op rotsen, maar directeur Henk van Vuren van Beco in Vianen wil zich er niet bij neerleggen dat de Nederlandse maakindustrie het in eigen land vaak aflegt tegen de Chinese concurrenten. Ook verzet hij zich tegen het monetaire beleid van overheden en de Europese Centrale Bank (ECB), die het in stand houden van de banken belangrijker vinden dan een goede kredietverlening aan industriële bedrijven, die iets zouden kunnen doen aan het leger van 22 miljoen werklozen in de EU.

Een tijdje geleden heeft Van Vuren de concurrentie van de Chinezen weer eens aan den lijve ondervonden. Zijn bedrijf produceert naast getrokken kipwagens, haventrailers en containersystemen, uitrustingsstukken voor kraan-, bouw- en grondverzetmachines, gieken en grijpers ook speciale constructies. Beco mocht een offerte maken voor een constructie met 163 ton staal in een haven in Groningen. Door Chinees staal toe te passen en grotendeels in haar Poolse vestiging te produceren, kon Beco een prijs offreren van 5 ton. Maar de order ging voor 4 ton naar een Chinese partij. Toen Van Vuren later nog eens belde hoe de klus was verlopen, kreeg hij te horen dat de kwaliteit op veel punten te wensen over liet en dat men het nodige extra werk eraan had gehad. “Maar de bottom line was: De Chinezen waren goedkoper en volgende week  zou de betreffende aannemer het zo weer doen, omwille van de prijs.”
Het stoort Van Vuren ook dat de Chinezen een sluizencomplex in Antwerpen mogen doen. En het zijn niet alleen de Chinezen. Een Zuid-Koreaanse partij ging met een sluizencomplex in IJmuiden aan de haal. “Je kunt daar niet alles van zeggen omdat wij Nederlanders ook geld verdienen in Azië, maar het voelt niet goed dat onze kwaliteit het puur op geld aflegt tegen de Chinezen. Zeker de aannemerij is een echte kopersmarkt geworden. Men beconcurreert elkaar op leven en dood, koopt deels in China en hoopt er het beste van.”

Vanzelfsprekendheid is verdwenen
Van Vuren probeert daar wat aan te doen. Uit betrokkenheid, omdat de Nederlandse maakindustrie hem aan het hart gaat, maar ook omwille van zijn eigen bedrijf. “Het gaat nu redelijk goed, eigenlijk voor het eerst sinds de crisis. Maar er is onzekerheid. De vanzelfsprekendheid waarmee ik vroeger beslissingen nam en investeringen deed, is verdwenen. Moet ik sneller productie verplaatsen naar onze Poolse vestiging? Is het verstandig om hier in Vianen te investeren in een hoge productiehal met een kraan van 100 ton en moet ik die verspanende machine van euro 7 ton kopen, die we zo hard nodig hebben? Vroeger deed je dat gewoon. Nu niet meer.”

Zijn bureau ligt bezaaid met krantenknipsels uit het Financieel Dagblad en andere media. Van Vuren probeert medestanders te vinden bij Koninklijke Metaalunie, schrijft brieven aan topbankiers, benadert ministers, politieke partijen en ondernemersorganisaties. Het zijn inspanningen die een lange adem vergen en die vooralsnog niet veel opleveren. Bij Metaalunie vindt hij een willig oor en krijgt hij ook medewerking. Maar op zijn brieven krijgt hij doorgaans vriendelijke doch weinig zeggende reacties.

Nieuw Marshallplan
Van Vuren pleit voor een meer evenwichtige handelsbalans met China. Maar vooral wil hij dat de overheden in Europa meer doen om hun maakindustrie te steunen. “Het industrieel MKB heeft ingeteerd op haar vermogens. We hebben meer kapitaal nodig om te kunnen groeien en banen te creëren. Maar de kredietverlening gaat moeizaam.”
Er is wel een BMKB-regeling (Borgstelling MKB-kredieten) en een GO regeling waarbij de overheid deels garant staat voor een deel van de verleende kredieten, maar die gaan niet ver genoeg en laten nog te veel risico’s bij banken. In een brief aan de ECB-president pleit Van Vuren daarom voor een soort Marshall hulp. Overheden zouden borg moeten staan voor een meer substantieel deel van de bedrijfsfinancieringen waardoor banken aanzienlijk beperkt worden in hun risico en meer leningen kunnen verstrekken. “Ik zeg niet dat dit de oplossing is, maar onderzoek het in ieder geval en doe iets. Als het zo blijft zoals het nu is redden we ons wel en investeren we heus wel wat, maar het gaat niet snel.”

Samen staal inkopen
De maakbedrijven kunnen volgens Van Vuren zelf ook meer doen om hun kostenniveau omlaag te brengen.  Van Vuren is al ruim een jaar bezig met zijn initiatief voor een soort inkoopcombinatie om lagere prijzen te kunnen bedingen bij de leveranciers van staal. Hij heeft gesprekken gevoerd met zo’n twintig bedrijven die participeren en samen goed zijn voor 220.000 ton staal per jaar. Dat zou een inkoopvoordeel van zo’n 15 procent moeten kunnen opleveren. Maar het gaat moeizaam. De Beco-directeur heeft gesproken met acht leveranciers, maar die stribbelen tegen: van de prijs kan echt niks af. In februari worden de besprekingen voortgezet. Maar ook de medewerking van zijn collega-staalgebruikers gaat niet van harte. ‘Ik doe even niet mee, maar hou me op de hoogte als het iets wordt’, was een van de reacties. “Toch moet hier wat te halen zijn”, is Van Vurens overtuiging. “De staalprijzen staan weliswaar onder druk, maar zijn globaal nog altijd het dubbele ten opzichte van 2003.”

Maar het gaat dus allemaal moeizaam. Het is duwen, duwen en duwen. Van Vuren verwacht dat er dit jaar echt wel iets terecht komt van die gezamenlijke staalinkoop en ook het beoogde gebruik maken van elkaars productiecapaciteit. “Of laten we het aan de Chinezen? Willen we door hen opgerold worden of willen we eens kijken of we een antwoord hebben. We moeten een model van werken vinden, zodat ook de volgende generatie met onze industrie verder kan.”